|
|
Belevenissen van een wever bij S.I. Zwartz B.V. te Oldenzaal

De heer H.A.B. Veld, geboren op 13 februari 1918, werkte van 6 september 1934 tot 1 september 1976 bij het bedrijf. Hij was tientallen jaren de woordvoerder van het personeel. Zijn gesprekspartner was directeur Albert Zwartz (1894-1978), die vanaf 1918 tot zijn dood in het bedrijf gewerkt heeft.
“Aan de hand van mijn vader heb ik in 1933 het weven geleerd. In 1934 heb ik een contract getekend en mocht ik zelfstandig weven op één getouw, wat mij goed beviel. Ik kon daarmee zo’n 10 gulden per week verdienen. De wevers hadden twee getouwen. Onder de wevers waren drie Duitsers, die uit Emsdetten kwamen en daar in de jute-industrie hadden gewerkt. Zij werkten vanaf 1927 in de nieuw gebouwde weverij en waren meegekomen met de uit Emsdetten afkomstige weverijbaas Albert Laumann om de zaak aan de gang te helpen.
De getouwen die we hadden moest je elke drie minuten afzetten om de spoel te wisselen. Er zaten geen lamellen of vork op, dus ze liepen gewoon door zonder inslag als je ze niet stopzette. Dan moest je de ketting terugdraaien. Het was, vergeleken met nu, uitermate primitief. We werkten allemaal op tarief en hadden een grote mate van vrijheid en kenden geen boete-systeem, zoals elders gebruikelijk was. Wat bij de heer Zwartz eens een zucht opwekte: “ik wou dat ik alle vastloners een klok aan hun achterste kon binden”. Op de getouwen zaten geen picksklokken. We kregen in die tijd alles per stuk betaald: in de sterkerij werd bij iedere 100 meter een zwarte plek in de ketting gemaakt, zodat de wever kon zien dat hij bij de 100 meter was en het stuk kon doorsnijden en inleveren. Later heb ik ook een tijdje in de pakzaal gewerkt en zodoende leerde ik alle facetten van het bedrijf kennen, van kalander tot doubleermachine en sprenkelmachine. Deze laatste werd gebruikt om ontevreden klanten, die het doek te licht vonden, tevreden te stellen, zoals Rath en Doodeheefver en Goudsmit-Hof, afnemers van behanglinnen. We werkten 48 uur per week, soms 52 uur. Ik was lid van de vakbond St. Lambertus en heb Van der Heijden, Van Gils en Vunderink als vakbondsbestuurders meegemaakt.
Toen ik als jongen van 16 jaar voor het eerst mijn eigen machines bediende, kwam ik tot de conclusie dat op de loonkaart vijf cent te weinig was ingevuld. Ik ben naar kantoor gestapt en heb tegen de heer Zwartz gezegd dat dat niet klopte,waarop hij zei: ‘Jongen, wat weet jij daar nou van. Ga vlug aan je werk’. Mijn antwoord was dat ik de bewuste machine niet zou laten lopen. Even later keek de heer Zwartz of mijn dreigement werkelijkheid was. En dat was zo, waarop hij naar mijn tien jaar oudere zuster ging en zei: ‘Als hij niet aan het werk gaat, laat hij maar naar huis gaan, hij stapt hier door de fabriek, alsof hem die toebehoort.’ Mijn zuster kwam huilend bij mij, ik had toen geen keus meer en ging aan het werk. Later is die 5 cent er wel bij gekomen, toen oudere wevers die kwaliteit ook kregen. Ik heb echter niet durven vragen of ik die achterstallige centen alsnog kreeg . . .
Eens hebben we smyrna geweven, waar de dames kussens en tafelkleden van makten. Smyrna is een weefsel waarbij na elke twee inslagen een opening in het weefsel werd gelaten. Dat gebeurde op een primitieve manier, uitgedacht door touwbaas Laumann. De weefgetouwen waren daar eigenlijk niet geschikt voor, maar het lukte met een vochtige rol met zeepwater.
Als het stuk klaar was werd het in de sterkerij door de pap gehaald, dan bleef ieder draadje op zijn plaats. Op zekere dag werk ik door de hr Zwartz op het matje geroepen, omdat ik een heel stuk kapot had geweven. Ik stond erbij en keek er naar: de ene helft was goed, de andere helft niet. Toen kwam ik tot de conclusie dat de rollers van de bovenkant uitgedroogd waren en het weer gewoon weefsel was geworden. De andere kant was op de vloer niet uitgedroogd en was prima in orde. In het vervolg werden de natte doeken op de rollen gelegd. Toen was alles weer in orde.
Er waren ook bedrijven waar de mensen een St. Nicolaas-surprise kregen. Om daar kracht bij te zetten had het personeel een klomp opgezet voor het loket van het kantoor. Compleet met hooi en een wortel, plus een brief met het volgende: ‘Lieve Sint, we hebben het hele jaar ons uiterste best gedaan, we hebben gehoord dat u meerder bedrijven bezoekt, wij hopen dat u ons niet zult vergeten. Met hartelijke dank, het gezamenlijk personeel.’
Dan was er nog de gratis rondvlucht boven Twente, aangeboden door de vliegmaatschappij. De heer Zwartz heeft toen iemand aangewezen, wat het personeel niet zinde. Zij waren van mening dat de oudste werknemer daarvoor in aanmerking kwam. Na luttel beraad werd toen besloten om geld bij elkaar te brengen om die oudste een reis aan te bieden. De volgende dag stond in de Twentsche Courant: ‘Een mooie daad, het personeel van de firma Zwartz heeft haar oudste collega een gratis vlucht aangeboden boven Twente. Voorwaar een mooie daad.’
Bij al dit soort dingen moest ik altijd op kantoor komen om tekst en uitleg te geven, wat dan ook wel lukte. Een andere keer moest ik op het matje komen, omdat wevers gerookt zouden hebben in de weverij. Mijn antwoord was: ‘Mijnheer Zwartz, u loopt zelf ook altijd met de sigaar in de mond in de fabriek.’ Hij liet toen een asbakje bij het loket maken waar hij de sigaar dan zo lang oplegde en er niet mee in de fabriek rondliep! En daarmee was ook dit weer opgelost. En zodoende was er altijd wel iets van geven en nemen.
Het zou me te ver voeren om alle dingen die ik in ruim 40 jaar heb meegemaakt te omschrijven. Bij voorbeeld over de CAOonderhandelingen met de vakbondsbestuurders. Bijvoorbeeld over de inval van de politie, omdat wij overwerkten waarvoor geen vergunning aanwezig was. Dan waren er nog een keer een paar marine-officieren om garen te controleren dat vochtig was geworden, maar dat was gebeurd tijdens het vervoer over water.
Men had een hekel aan pottenkijkers uit angst voor concurrentie. De deuren van de weverij moesten dan ook dicht blijven, wat mij de opmerking ontlokte: ‘Als er een vliegtuig op valt, zitten we opgesloten.’ Toen werd er een doosje aan de muur gemaakt met een sleutel erin om de deur te openen. Verder herinner ik mij de staking van de naaizaal wegens vieze matrasvulling. Of een vergoeding aan de wevers voor slechte garens. En tot slot: een bekeuring voor te hoge lonen. Al deze zaken werden tot tevredenheid opgelost.
We hadden in die tijd een personeelskas en een sociaal fonds. We gingen eens per jaar op reis, helaas zijn ze allebei ter ziele gegaan.
Mijn eindconclusie is dat ik altijd met plezier bij Zwartz gewerkt heb. De heer Zwartz was een harde leider, de fabriek was zijn leven, waar hij alles voor deed. Ik heb altijd met hem door één deur gekund, al was het wel eens dringen. Meerdere keren heeft hij gezegd dat hij nooit een fusie zou aangaan en zelfstandig zou blijven, hetgeen dan ook gelukt is, niet alleen om zelfstandig maar ook om gezond te blijven, en zelfs na de bevrijding met zijn eigen auto terug te keren.
Tot slot wens ik u in de toekomst graag alle succes toe.”
H.A.B. Veld
Zoeken door eerdere uitgaves
|